Guus wordt geboren op 1 mei 1905 in Vlijmen als zoon van Harrie van de Ven en Cato van Susante. In augustus 1925 reist hij aan boord van S.S. Vondel af naar Nederlands-Indië, waar hij wordt hij aangesteld als ‘kandidaat-gezaghebber van het Binnenlands Bestuur’ bij het Bataviaasch Nieuwsblad. Vermoedelijk wordt hiermee bedoeld dat Guus wordt opgeleid tot journalist en redacteur. Op 27 mei 1926 trouwt hij in ’s-Hertogenbosch bij volmacht met Jacoba Evers; voor de huwelijksplechtigheid treedt zijn neef Cornelis van de Ven uit Vlijmen op als gevolmachtigde. Twee maanden later heeft Jacoba zich bij haar man in Batavia gevoegd. Samen krijgen ze twee dochters, maar het huwelijk wordt in 1934 ontbonden, waarna Jacoba de voogdij krijgt over haar kinderen.
Op 8 december 1941, een dag na de aanval op Pearl Harbor, verklaart Nederland in reactie daarop Japan de oorlog; Japan grijpt het aan om Nederlands-Indië direct binnen te vallen. Het komt niet als een verrassing. Vanwege zijn natuurlijke oliebronnen en geostrategische ligging heeft Tokyo de verovering van de Nederlandse kolonie al langer voor ogen als een van zijn belangrijkste doelen om Oost-Azië te kunnen overheersen.
Guus heeft zich eerder als vrijwilliger gemeld bij de landstorm, waar hij als soldaat is ingedeeld bij de kustartillerie van Tandjong Priok bij Batavia. Met het begin van de Japanse inval is Guus als dienstplichtige bij het KNIL ingelijfd en wordt hij ingezet voor de verdediging van de kolonie.
Na een veldtocht van drie maanden hebben de Japanners de belangrijkste strategische punten van de archipel ingenomen en zijn op Java geland. Het KNIL, onvoldoende uitgerust en ernstig gehinderd door besluiteloosheid aan de top, maakt geen schijn van kans en capituleert op 8 maart 1942 in Bandoeng. Guus wordt diezelfde dag in de naburige garnizoensstad Tjimahi krijgsgevangen genomen en later afgevoerd naar de kampen. Samen met duizenden andere Nederlandse krijgsgevangen militairen wordt hij naar het vasteland van Zuidoost-Azië gedeporteerd, waar hij als dwangarbeider wordt ingezet bij de aanleg van de Birma-spoorlijn. Guus legt een lijdensweg af van ruim 2700 kilometer, afwisselend in gesloten treinen, per schip, vrachtwagen en te voet. Uiteindelijk belandt hij in het Thaise kamp Rintin, op 181 kilometer van het oostelijke einde van de spoorlijn.
Rintin ligt twintig kilometer ten noorden van Hellfire Pass en is een van de beruchtste kampen aan de Birma-spoorlijn vanwege de zeer slechte leefomstandigheden het straffe werkregime waaraan de gevangenen zijn onderworpen. Werkdagen van meer dan tien uur van extreem zwaar werk komen steeds vaker voor. Ondertussen ontbeert het de gevangenen aan vrijwel alles. De voeding schiet schromelijk tekort, er zijn geen medicijnen voorhanden en de hygiënische situatie is er zeer slecht. Gevangenen op doortocht naar andere kampen zorgen voor de regelmatige uitbraak van ziektes. Vanwege het hoge sterftecijfer door al deze omstandigheden staat Rintin bekend als dodenkamp.
In mei 1943, na drie maanden in gebruik te zijn geweest, wordt Rintin vanwege een ernstige dysenterie-uitbraak gesloten. Guus, dan al ernstig verzwakt en uitgeput door alle ontberingen, is een van de eerste slachtoffers. Hij bezwijkt op 1 mei 1943 op 37-jarige leeftijd in Rintin en vindt zijn laatste rustplaats op de oorlogsbegraafplaats in het Thaise Kanchanaburi.
Reactie toevoegen